15 november 2017
Staat aansprakelijk voor schade bij politie-inval

Staat aansprakelijk voor schade bij politie-inval

De politie treedt op basis van een gegronde verdenking een pand binnen en veroorzaakt daarbij schade aan de huurruimte. De huurder wordt veroordeeld wegens drugsbezit. De verhuurder vordert van de staat vergoeding van deze schade.

In deze zaak stond vast dat het politieoptreden bij het uitvoeren van de huiszoeking rechtmatig was. Het betreden van een pand en het doorzoeken daarvan volgens de regels van het strafprocesrecht is rechtmatig. Niet alleen ten opzichte van de persoon die het onderwerp van strafrechtelijk onderzoek is, maar ook ten opzichte van een derde. Desondanks kan de Staat aansprakelijk zijn voor schade als gevolg van dergelijk rechtmatig politieoptreden. Dat speelt met name wanneer een ander dan de verdachte door dat optreden schade lijdt. Het gaat dan om gevolgen die op een burger drukken en buiten het normale maatschappelijke risico of het normale bedrijfsrisico van die burger vallen. Bij dat oordeel speelt het égalité-beginsel (het beginsel van gelijkheid voor de openbare lasten) een rol. Dat werd voor de eerste maal door de Hoge Raad beslist in het arrest Staat/Lavrijsen (HR 30 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0801).

Partijen waren het er in dit geval over eens dat de schade buiten het normale bedrijfsrisico van de verhuurder viel. De Staat is dus in beginsel aansprakelijk voor de door de verhuurder geleden schade. De vervolgvraag is dan of de vergoedingsplicht van de Staat op grond van ‘eigen schuld’ van de verhuurder (art. 6:101 BW) moet worden verminderd. De kantonrechter en het hof hebben geoordeeld van niet.

De Hoge Raad stelt voorop dat artikel 6:101 lid 1 BW (causaliteitsafweging en billijkheidscorrectie) bepaalt dat de schadevergoedingsplicht wordt verminderd als de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend. Dus als er sprake is van ‘eigen schuld’ van de benadeelde, zal de schade geheel of gedeeltelijk voor rekening van de benadeelde zelf moeten blijven. Dit laatste geldt, op grond van art. 6:101 lid 2 BW (toerekeningsregel), ook als de schade is veroorzaakt aan een zaak van de benadeelde die in de macht van een derde was én deze schade (mede) is te wijten aan ‘eigen schuld’ van die derde. De ‘eigen schuld’ van de derde wordt dan voor de toepassing van art. 6:101 lid 1 BW, toegerekend aan de benadeelde. De reden daarvoor is dat het voor de aansprakelijke geen verschil zou moeten maken of de zaak die hij beschadigde, toebehoorde aan de medeschuldige die haar in zijn macht had of dat deze haar voor een ander onder zich had.

Uitgangspunt is volgens de Hoge Raad dat schade die bij rechtmatig strafvorderlijk optreden is veroorzaakt aan zaken van een ander dan de verdachte, niet tot het normale bedrijfsrisico van die ander hoort, zodat de Staat in beginsel gehouden is die schade te vergoeden. Daarmee verdraagt zich niet de toerekeningsregel van art 6:101 lid 2 BW, die namelijk zou meebrengen dat omstandigheden die toerekenbaar zijn aan de verdachte die de beschadigde zaak in zijn macht heeft, (toch) voor rekening van die ander als benadeelde komen. Het hiervoor genoemde argument dat het voor de aansprakelijke geen verschil mag maken of de beschadigde zaak toebehoort aan degene die haar in zijn macht had of aan een ander, gaat in een dergelijk geval dan ook niet op. Art. 6:101 lid 2 BW moet dan ook buiten toepassing blijven. Een eventuele vermindering van de vergoedingsplicht van de Staat moet dus alleen aan de hand van de causaliteitsafweging en/of de billijkheidscorrectie van art. 6:101 lid 1 BW worden vastgesteld. De Hoge Raad komt daarmee terug van zijn Wherestad-arrest (HR 2 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ708).

De verhuurder is in cassatie bijgestaan door Derk Rijpma.