17 september 2020
Nieuwsbrief civiele procespraktijk september 2020

Nieuwsbrief civiele procespraktijk september 2020

Deze nieuwsbrief brengt u op de hoogte van belangrijke uitspraken van de Hoge Raad. Aan- of afmelden voor de nieuwsbrief kan via cassatie@ekelmansenmeijer.nl.

In deze nieuwsbrief vindt u de volgende onderwerpen: 
Is de rechtspersoon bekend met de schade en de aansprakelijke persoon?
(HR 11 september 2020, ECLI:NL:2020:1413)
  • De Arubaanse vennootschap Treston en drie bestuurders van HDI zetten in 2007 en 2008 een constructie op om zichzelf ten koste van HDI te bevoordelen. De bestuurders houden deze tegenstrijdige belangen voor HDI verborgen. De belangenverstrengeling komt pas aan het licht in 2013 na ontslag van één bij de zwendel betrokken bestuurders. HDI vordert schadevergoeding van Treston op grond van onrechtmatige daad. Treston beroept zich op verjaring. 
  • Volgens art. 3:310 BW is de verjaringstermijn gaan lopen toen HDI bekend raakte met de schade en de aansprakelijke personen. 
  • Het hof wijst het beroep op verjaring af. Volgens het hof kreeg HDI pas kennis van haar mogelijke aanspraak op Treston in 2013. Dat de drie bij de zwendel betrokken bestuurders wisten van de belangenverstrengeling, betekent niet dat HDI als rechtspersoon deze kennis had. Zij hebben de rest van het bestuur hier immers bewust buiten gehouden. 
  • Treston gaat in cassatie.
  • De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. In beginsel brengt de aard van de bestuursfunctie mee dat kennis van een bestuurder geldt als kennis van de rechtspersoon. Dit kan echter onder bijzondere omstandigheden anders zijn. Die zijn hier aan de orde. Uit de door het hof vastgestelde omstandigheden vloeit voort, dat Treston de niet bij de zwendel betrokken bestuurders bewust onkundig heeft gehouden van de persoonlijke financiële belangen van de drie betrokken bestuurders bij de constructie. 
  • Art. 3:321 lid 1 onder d jo. art. 3:320 BW roept een grond voor verlenging van de verjaring in het leven tussen rechtspersonen en hun bestuurders. Als de verjaringstermijn afloopt, terwijl de bestuurder nog in functie is, loopt deze door totdat zes maanden zijn verstreken na zijn defungeren. De ratio hierachter is dat vanwege de collegiale verhoudingen binnen een bestuur het treffen van rechtsmaatregelen moeilijk kan zijn. Het enkele bestaan van deze verlengingsgrond betekent dus niet dat de verjaringstermijn zonder meer gaat lopen, zodra een bestuurder wetenschap van zwendel heeft.

Schadestaatprocedure en gezag van gewijsde 
(HR 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1412)
  • Op grond van art. 236 lid 1 Rv hebben beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht. Zo wordt voorkomen dat een eenmaal beslecht geschilpunt in een volgende procedure opnieuw onderwerp van het partijdebat vormt. 
  • Opeenvolgende schadestaatprocedures tussen dezelfde partijen hebben volgens de Hoge Raad onderling te gelden als een ‘ander geding’. Daarom komt aan een beslissing over een schadepost in een schadestaat-vonnis gezag van gewijsde toe in een volgende schadestaatprocedure.

Stuiting van verjaring van een vordering op een vof en haar vennoten
(HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1315 )
  • A vordert schadevergoeding van een vennootschap onder firma (vof) en zendt een stuitingsbrief aan de vof. De rechter wijst deze vordering af. Daarná stelt A één van de voormalige vennoten aansprakelijk voor de geleden schade.
  • Het hof wijst deze vordering van A af wegens verjaring. Volgens het hof moeten de vorderingen op de vof en op de vennoot afzonderlijk worden gestuit. De stuitingsbrief aan de vof heeft daarom geen stuitende werking jegens de vennoten in privé. 
  • De HR vernietigt. Een schuldeiser van een vof kan zijn vordering zowel geldend maken tegen de gezamenlijke vennoten (de vof), als tegen iedere vennoot afzonderlijk. Er is sprake van twee samenlopende vorderingsrechten die afzonderlijk verjaren. Voor elk van deze rechtsvorderingen dient te worden nagegaan of de verjaring tijdig is gestuit. 
  • Verklaringen jegens een vof, waaronder een stuitingsverklaring die de vennootschap bereikt, worden geacht ieder van de vennoten te hebben bereikt. Een stuitingsverklaring ‘jegens de vof’ moet in beginsel aldus worden uitgelegd dat deze ook als stuitingsverklaring is bedoeld met betrekking tot de vorderingen op de individuele vennoten. Voor een andere uitleg van die verklaring is slechts plaats op grond van bijzondere omstandigheden. Daarbij valt te denken aan het geval dat de stuitingsverklaring uitdrukkelijk is beperkt tot de vordering op de gezamenlijke vennoten of tot vorderingen op bepaalde vennoten.

Transitievergoeding en onregelmatige opzegging
(HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1286)                   
  • Een werkgever zegt op te korte termijn op net vóórdat de werknemer 10 jaar in dienst is, zodat de werknemer de hogere transitievergoeding voor 50-plussers misloopt. De werknemer vordert gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging én de hogere transitievergoeding (de 50 plusregeling van art. 7:673a (oud) BW)
  • Met een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid oordeelt het hof dat de werknemer naast de gefixeerde schadevergoeding óók de hoge transitievergoeding toekomt. 
  • De werkgever gaat in cassatie.
  • De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. Uit de wettekst volgt dat de transitievergoeding moet worden berekend aan de hand van de daadwerkelijke duur van de arbeidsovereenkomst. Daarvan uitgaand is de feitelijke beëindigingsdatum van de arbeidsovereenkomst de peildatum voor de berekening van de transitievergoeding. Het – al dan niet bewust – onregelmatig opzeggen kan de werkgever onder omstandigheden dus een financieel voordeel opleveren. Uit de wetsgeschiedenis van de Wwz blijkt niet dat de wetgever dit onder ogen heeft gezien. 
  • Een redelijke wetsuitleg brengt dan mee dat bij onregelmatige opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werkgever, het recht op en de hoogte van de wettelijke transitievergoeding moeten worden bepaald aan de hand van het tijdstip waarop die arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd als op een regelmatige wijze de arbeidsovereenkomst was opgezegd. Het is daarbij niet van belang of de werkgever heeft beoogd met de onregelmatige opzegging de rechten van de werknemer op de wettelijke transitievergoeding aan te tasten. 

Heeft u vragen over deze onderwerpen, neem dan contact met ons op. U kunt ons ook bellen voor een kort en informeel consult als u in een dossier ergens tegen aanloopt dat u met ons wilt bespreken.