11 maart 2021
Nieuwsbrief civiele procespraktijk maart 2021

Nieuwsbrief civiele procespraktijk maart 2021

Deze nieuwsbrief brengt u op de hoogte van belangrijke uitspraken van de Hoge Raad. Aan- of afmelden voor de nieuwsbrief kan via cassatie@ekelmansenmeijer.nl.

In deze nieuwsbrief vindt u de volgende onderwerpen: 

Grensoverschrijdende mediation stuit de verjaring
(
HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:274)
  • B woont in België. Na een problematische aandelenverkoop, sluit hij een Vaststellingsovereenkomst (‘VSO’) met ASR. In 2011 ontdekt B dat hij mogelijk gedwaald heeft. B stelt dat hij ASR in 2014 heeft aangemaand in de zin van art. 3:317 BW. Vanaf 21 januari t/m maart 2015 vindt mediation plaats tussen partijen. Dit loopt op niets uit. Op 14 augustus 2015 dagvaardt hij ASR en vordert de VSO te vernietigen wegens dwaling.
  • Het hof oordeelt dat de vordering is verjaard. De mediation heeft geen stuitende werking, omdat het geen daad van rechtsvervolging is ex art. 3:316 BW.
  • De Hoge Raad vernietigt en wijst op de Wet Implementatie RL 2008/52/EG. Deze wet implementeert de Mediationrichtlijn. Deze richtlijn geldt alleen voor grens­overschrijden­de geschillen en heeft tot doel mediation te bevorderen.
  • Voorkomen moet worden dat partijen vanwege het verjaringsrisico afzien van mediation. Art. 6 lid 1 van de Implementatie­wet bepaalt daarom dat mediation de verjaring van een rechtsvordering stuit. Ook begint de dag nadat een mediation is geëindigd, een nieuwe verjaringstermijn. Deze termijn is gelijk aan de oorspronkelijke, maar niet langer dan drie jaar.
    Dit betekent volgens de HR dat bij een vordering tot vernietiging, de aanvang van een grensoverschrijdende mediation op één lijn kan worden gesteld met een daad van rechts­vervolging (art. 3:316 lid 1 BW). Ook wordt de verjaring van een rechtsvordering gestuit door aanvang van zo’n mediation binnen zes maanden na aanmaning (art. 3:317 lid 2 BW). Nu vaststond dat B in België woonde, had het hof deze regels moeten toepassen op grond van art. 25 Rv.

Advocaat kan zelf bewijsbeslag leggen bij schending van zijn verschoningsrecht
(
HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273)
  • Het Openbaar Ministerie (OM) neemt e-mailcorrespondentie in beslag tussen een verdachte en haar advocaten. Onder het verschoningsrecht vallende mails zijn ten onrechte vrijgegeven aan het onderzoeksteam.
  • Om de omvang van de schending van hun verschoningsrecht aan te tonen, leggen de advocaten zélf bewijsbeslag onder het OM. De Staat vordert in kort geding opheffing. Volgens de Staat vormt de schending van het verschonings­recht geen aantasting van ‘een eigen recht’ van de advocaten. Hun komt daarom geen vordering toe, waarvoor zij bewijsbeslag kunnen leggen.
  • Het hof handhaaft het beslag.
  • De Staat stelt cassatieberoep in.
  • De Hoge Raad verwerpt dit beroep. Het verschoningsrecht is van fundamenteel belang voor een goede rechtsbedeling. Het stelt een advocaat in staat zijn taak als raadsman naar behoren te vervullen. Daarom kan een advocaat zélf opkomen tegen een schending daarvan, in het bijzonder op grond van onrechtmatige daad. Hij kan een verklaring voor recht vorderen over de omvang van de schending, of een verbod vragen op verdere schendingen. Ook kan hij schadevergoeding claimen. De Hoge Raad merkt op dat deze vorderingen de advocaat niet toekomen ten behoeve van zijn cliënt. Voor zover de belangen van de cliënt worden getroffen door de schending, zal deze daartegen zelf in rechte moeten opkomen.

Verwijzing naar de schadestaat ook bij borgtocht
(
HR 8 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:38)
 
  • Taxibedrijf X wint een gemeentelijke aanbesteding voor taxivervoer. De Holding van X stelt zich garant voor de nakoming. X gaat failliet.  De Gemeenten vorderen veroordeling van de Holding tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat. Het hof wijst de vordering toe.
  • In cassatie klaagt X dat volgens art. 612 Rv de schadestaatprocedure alleen kan worden toegepast op wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding, maar niet indien uit een rechtshandeling (zoals de borgtocht) een primaire verplichting tot schade­vergoeding voortvloeit en deze niet wordt nagekomen.
  • De Hoge Raad legt art. 612 Rv. ruim uit en verwerpt het cassatieberoep. De verplichting van de Holding als borg tot betaling van schadevergoeding is hier dezelfde verplichting tot schadevergoeding die Taxibedrijf X had wegens niet-nakoming. Gelet op die verbondenheid brengt een redelijke en praktische wetstoepassing mee dat de verwijzing naar de schadestaat ook mogelijk is wanneer een borg wordt veroordeeld tot schadevergoeding ex art. 7:854 BW. De Hoge Raad aanvaardt daarmee een uitzondering op de regel in art. 612 Rv, dat een verwijzing in beginsel alleen mogelijk is bij wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding.

Heeft u vragen over deze onderwerpen, neem dan contact met ons op. U kunt ons ook bellen voor een kort en informeel consult als u in een dossier ergens tegen aanloopt dat u met ons wilt bespreken.