Hoge Raad: grenzen herstelfunctie appel bij echtscheiding (HR 7 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:636

Wie in eerste aanleg zélf een echtscheiding aanvraagt, kan in appel niet voor het eerst een pensioenverweer voeren (art. 1:153 lid 1 BW).
 
Feiten

De rechtbank heeft op het verzoek van de man de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De vrouw had in eerste aanleg ook verzocht de echtscheiding uit te spreken. In appel wil zij het roer omgooien. Zij wil alsnog een beroep doen op het zogenaamde pensioenverweer van
art. 1:153 lid 1 BW: volgens haar dreigt namelijk het gevaar dat als de man komt te overlijden zij door de echtscheiding te weinig nabestaandenpensioen zal ontvangen. Daar moet éérst een regeling  voor worden getroffen vóórdat de echtscheiding kan worden uitgesproken. Het hof honoreert dit beroep niet. In cassatie komt de vrouw met een beroep op de herstelfunctie van het appel hiertegen op.

Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelde al eerder dat als een echtscheiding op gemeenschappelijk verzoek is uitgesproken, in appel geen beroep meer kan worden gedaan op het pensioenverweer (HR 4 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:BL8473, NJ 1999/535). In deze nieuwe zaak werd de vraag voorgelegd of dat niet in strijd is met de herstelfunctie van het hoger beroep. De Hoge Raad overweegt dat die mogelijkheid begrensd is: een echtgenoot die in eerste aanleg ook zelf een echtscheiding aanvraagt en krijgt toegewezen, kan in appel niet meer op zijn eigen verzoek terugkomen. Daarom kan hij in appel geen beroep meer doen op het pensioenverweer. Zo kan ook voorkomen dat een partij de echtscheiding onnodig vertraagt.
Staat een echtgenoot die (ook zelf) de echtscheiding heeft verzocht helemaal met lege handen? Nee. Met een beroep op art. 1:157 lid 2 BW kan hij verzoeken om bij de vaststelling van de alimentatieverplichting van de andere echtgenoot rekening te houden met zijn behoefte aan een nabestaandenpensioen.
 
De man werd in cassatie bijgestaan door Marieke van der Keur en Rosanne Bakels.