01 oktober 2020
Corona en de privacy van studenten bij digitale tentamens

Corona en de privacy van studenten bij digitale tentamens

Auteur: Elieske Kallenberg

Als gevolg van de coronapandemie kiezen veel onderwijsinstellingen voor het online afnemen van tentamens. Hierbij wordt, onder meer ter voorkoming van fraude, veelal gebruik gemaakt van ‘online proctoring’. Online proctoring is een tool om digitaal tentamens af te nemen, waarbij met behulp van controlesoftware op afstand kan worden gesurveilleerd. Er zijn meerdere vormen van online proctoring, waaronder:  live proctoring, geautomatiseerde proctoring waarbij de software een deel van de detectie overneemt en proctoring waarbij het afgenomen examen op een later tijdstip wordt bekeken c.q. bestudeerd. Deze digitale controle op afstand brengt de nodige privacyrisico’s met zich mee. Er worden namelijk opnames gemaakt in het huis van de student, door middel van een webcam. Daarbij wordt het gedrag van studenten niet alleen geobserveerd tijdens het maken van de toets, maar worden beeldopnames tevens opgeslagen voor eventuele nadere bestudering na afloop. Dit technologische hulpmiddel draait dus grotendeels om het verzamelen en analyseren van (persoons)gegevens. Dientengevolge rijst de vraag hoe online proctoring zich verhoudt tot het recht op privacy en de AVG.  

Recht op privacy: Online proctoring en het EVRM
Het recht op privacy is onder meer gewaarborgd in artikel 8 EVRM. Online proctoring staat op gespannen voet met het wetsartikel: het maken van opnames in de privéomgeving van een student is immers een evidente schending op het recht van privacy. Dit grondrecht is echter niet absoluut en de huidige omstandigheden kunnen een inbreuk op art. 8 EVRM rechtvaardigen. Onderwijsinstellingen moeten immers – ook in tijden van corona – de  kwaliteit van het onderwijs waarborgen en dienen objectief te kunnen vaststellen of een student al dan niet voldoet aan de voorwaarden die de onderwijsinstelling stelt ten aanzien kennis, inzicht en vaardigheden. 

Ingevolge artikel 8 EVRM dient hoe dan ook een fair balance te bestaan tussen de schending van privacy en het gerechtvaardigd belang. Die fair balance wordt getoetst aan de proportionaliteit- en de subsidiariteitstoets, waarbij de proportionaliteit  in dit geval afhangt van de legitimiteit van het doel waarvoor een technologie wordt ingezet. Zodoende moet sprake zijn van een juiste balans van enerzijds de voordelen van online proctoring en anderzijds de inmenging in het privéleven van een student. Voorop staat dat niet verder mag worden ingegrepen in de privésfeer van studenten dan nodig is om het doel (authenticatie en voorkoming van fraude) te bereiken. 

De UvA maakt sinds maart 2020 gebruik van online proctoring inclusief een ‘roomscan, eye tracking, sound recording en data-analyse’. Vrij ingrijpend (en stressverhogend), zou je zeggen. Met het oog op de subsidiariteit rijst dan ook de vraag of wellicht minder vergaande alternatieven voorhanden zijn om hetzelfde doel te bereiken. Zo wordt in de literatuur gewezen op de mogelijkheid om uitsluitend momentopnamen te maken en/of slechts “geblurde” beelden op te nemen.

Recht op privacy: Online proctoring en de AVG 
Ook de AVG roept vragen op omtrent de rechtmatigheid van online proctoring. Een onderwijsinstelling is op grond van de AVG verantwoordelijk voor de verwerking van gegevens door het online proctoring systeem. Daarbij moet worden gedacht aan het versleutelen van data, de verwerking van persoonsgegevens binnen de EU en het werken met beveiligingsmechanismes zoals autorisatie en encryptie om te voorkomen dat medewerkers of derden ongeautoriseerd toegang krijgen tot de data. 

Studenten van de UvA spanden eerder dit jaar een kort geding aan tegen de UvA vanwege het gebruik van online proctoring. Rechtbank Amsterdam concludeerde echter dat de gegevensverwerking door de UvA voldeed aan de door de AVG gestelde zorgvuldigheidseisen en derhalve is toegestaan (ECLI:NL:RBAMS:2020:2917). De publieke taak van onderwijsinstellingen is volgens de rechtbank te herleiden naar haar wettelijke taak om onderwijs te verzorgen, examens af te nemen en diploma’s te verstrekken, waarbij de kwaliteit van dat onderwijs en van de te verstrekken diploma’s is gewaarborgd. Bij online proctoring is derhalve sprake van een noodzakelijke gegevensverwerking in de zin van artikel 6 lid 1 sub e AVG. De gegevensverwerking moet wel voldoen aan de overige vereisten van de AVG, zoals de basisbeginselen genoemd in art. 5 AVG. “Zo dient de verwerking te voldoen aan de beginselen van rechtmatigheid, behoorlijkheid en juistheid en aan het doelbindingsprincipe. Ook dient de verwerking op grond van artikel 5 lid 1 sub c AVG toereikend, ter zake dienend en beperkt te zijn tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor de gegevens worden verwerkt. Ook dient de opslag van gegevens beperkt te blijven en dient de beveiliging gewaarborgd te worden.” 

Overigens is nog interessant dat de Rechtbank eveneens oordeelde dat, hoewel ook beelden van het gezicht worden gemaakt, van verwerking van bijzondere persoonsgegevens uit hoofde van art. 9 AVG geen sprake is. Relevant voor de uitkomst in deze zaak is dat echter niet, omdat het gebruik van die gegevens ter identificatie op grond van art. 25 UAVG is toegestaan.
    
Transparantie en experimenteren met minder ingrijpende proctoring
Zolang het coronavirus onder ons is, behoort het grootschalig afnemen van tentamens op locatie niet tot de mogelijkheden. Online proctoring kan daarbij een oplossing bieden. Het recht op privacy van de student wordt met dit middel echter evident geschonden, waardoor het middel uitsluitend dient te worden ingezet voor toetsen waarbij geen andere toetsvorm mogelijk is. Daarnaast dienen de gegevens alleen verwerkt te worden ter authenticatie en om frauduleus gedrag vast te stellen. Tot slot is het van groot belang om studenten van een goede voorlichting te voorzien. Transparantie over wat er gebeurt met de verzamelde data, toelichting op de noodzaak van online proctoring en nadruk op het belang van kwalitatief onderwijs zou kunnen leiden tot een groter draagvlak onder studenten. Daarnaast kunnen (en moeten!) onderwijsinstellingen experimenteren met minder ingrijpende proctoring, teneinde een fair balance te waarborgen. Daarbij kan gedacht worden aan het uitsluitend maken van momentopnamen en/of het “blurren” van de privéomgeving van de student. Het zou, hoe dan ook, nooit zover mogen komen dat studenten in deze coronatijd moeten kiezen tussen privacy en studievoortgang. 

Wilt u meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met onze Privacy Desk.