Belastingdienst schendt privacy en wordt teruggefloten door Hoge Raad

De Hoge Raad heeft op 24 februari 2017 in drie zaken geoordeeld dat de Belastingdienst artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (het recht op eerbiediging van privéleven) heeft geschonden. De Belastingdienst maakte gebruik van foto’s afkomstig van snelwegcamera’s om te controleren in hoeverre auto’s van de zaak door de bestuurder ook voor privédoeleinden werden gebruikt.

De Belastingdienst had drie particulieren een naheffing opgelegd, omdat zij meer dan 500 kilometer privé zouden hebben gereden met hun leaseauto. De Belastingdienst kwam aan deze informatie door foto’s van snelwegcamera’s (zogeheten Automatic Number Plate Recognition camera’s) te gebruiken. Uit die foto’s bleek dat de bestuurders zich regelmatig op andere plaatsen bevonden dan zij in hun rittenregistraties hadden aangegeven.

De Hoge Raad oordeelt dat alleen bevoegde instanties toegang mogen hebben tot die gegevens. De Belastingdienst had die bevoegdheid niet. Door desondanks de foto’s toch te gebruiken, is sprake van inmenging in de persoonlijke levenssfeer van de betreffende bestuurders. Volgens artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 EVRM heeft eenieder recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Als een autoriteit zich dan toch wil inmengen, is voor die inmenging een wettelijke grondslag vereist.

Wat verstaat de Hoge Raad onder “inmenging”?:


“2.3.3. Verder wordt vooropgesteld dat in cassatie terecht niet in geschil is dat hier sprake is van een inmenging van het openbaar gezag in belanghebbendes privéleven. Immers, door de wijze van verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren, en door het gebruik van de met ANPR-camera’s verkregen gegevens, wordt het privéleven van de betrokkenen geraakt. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat het hier niet gaat om één of enkele waarnemingen in de openbare ruimte, maar om het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken en jarenlang bewaren van gegevens over de bewegingen van voertuigen op diverse plaatsen in Nederland, op een zodanige wijze dat die gegevens aan de hand van het kenteken tot een bepaald voertuig en daarmee (in beginsel) tot een bepaalde persoon kunnen worden herleid, en waarbij het doel (mede) is om aan de hand van een analyse van die gegevens per voertuig een beeld te krijgen van de verplaatsingen daarvan gedurende een jaar (vgl. EHRM 2 september 2010, Uzun vs. Germany, nr. 35623/05, par. 44 e.v.).”


De Nederlandse wet kent geen grondslag om de camerabeelden voor belastingdoeleinden te gebruiken. De Belastingdienst schendt simpelweg een grondrecht van Nederlandse burgers door de camera’s te gebruiken voor “het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken en jarenlang bewaren van gegevens” die tot een bepaald persoon kunnen worden herleid. Voor het verwerken en verzamelen van persoonsgegevens dient namelijk een welbepaald, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigd doeleinde te bestaan, aldus artikel 7 van de Wet bescherming persoonsgegevens. Deze wet bevat de belangrijkste regels voor de omgang met persoonsgegevens in Nederland. Degene van wie persoonsgegevens worden verwerkt, moet ten minste op de hoogte zijn (i) wie die gegevens verwerkt en (ii) het doel daarvan. Als bedrijven of overheidsinstellingen zich niet aan die regels houden, kan de Autoriteit Persoonsgegevens in het uiterste geval boetes opleggen van maximaal € 820.000.

Bron: Sophie den Held, 7 maart 2017

Heeft u vragen over een privacy policy, bewaartermijnen of de Wet meldplicht datalekken? De Privacy Desk van Ekelmans & Meijer Advocaten is gespecialiseerd in het privacy proof maken van uw bedrijfsvoering. Kijk op de website voor meer informatie en onze contactgegevens: Privacyrecht.

Privacy Desk Alert - maart 2017
kennis