Incidenteel hoger beroep, zo eenvoudig nog niet!
2017-11-09 | Auteur:

Incidenteel hoger beroep, zo eenvoudig nog niet!

Op 1 november jl. heeft de Afdeling twee uitspraken gedaan, waarin onjuist gebruik van het instrument incidenteel hoger beroep niet werd geaccepteerd door de Afdeling. Op grond van artikel 8:110 lid 1 Awb kan, indien er hoger beroep is ingesteld, degene die ook hoger beroep had kunnen instellen, binnen zes weken na ontvangst van de gronden van het hoger beroep, incidenteel hoger beroep instellen. Op deze manier kan de verwerende partij zijn processuele positie in hoger beroep versterken. Volgens artikel 8:112 lid 1 Awb kan incidenteel hoger beroep worden ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep gegrond is (voorwaardelijk incidenteel hoger beroep). Uit de volgende uitspraken blijkt echter dat dit middel niet altijd op de juiste wijze wordt ingezet.

Geen gronden tegen rechtbankuitspraak

In de eerste zaak (ECLI:NL:RVS:2017:2963) heeft het college van burgemeester en wethouders aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van een hotel. De buurman vreest voor hinder en gaat in bezwaar, maar dit wordt ongegrond verklaard door het college. Hierna verklaart de rechtbank het daartegen ingestelde beroep van de buurman gegrond en vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tegen deze uitspraak gaat de buurman in hoger beroep. Vergunninghoudster dient vervolgens een schriftelijke reactie in, waarin vermeld staat dat zij voorwaardelijk incidenteel hoger beroep instelt. De vraag was of deze schriftelijke reactie inderdaad diende te gelden als een incidenteel hoger beroep.

De Afdeling overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of een stuk als incidenteel hoger beroepschrift in de zin van artikel 8:110 lid 1 Awb kan worden aangemerkt, niet beslissend is dat uitdrukkelijk gesteld is dat incidenteel beroep wordt ingesteld. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 23 en 24), is met het bieden van de mogelijkheid van het instellen van incidenteel hoger beroep beoogd om een partij de bevoegdheid te geven om naar aanleiding van een principaal beroep van een wederpartij alsnog ook zelf in hoger beroep te komen. Het incidenteel hoger beroep dient daarom volgens de Afdeling gronden te bevatten die gericht zijn tegen de rechtbankuitspraak.

In dit geval had de vergunninghoudster in haar schriftelijke reactie uitsluitend verweer gevoerd tegen het hoger beroep van de buurman en geen gronden aangevoerd tegen de rechtbankuitspraak. De reactie van vergunninghoudster behelst daarom volgens de Afdeling geen voorwaardelijk incidenteel hoger beroep in de zin van artikel 8:110 lid 1 Awb en 8:112 lid 1 Awb.

Zelfde doel als principaal hoger beroep

In de tweede uitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:2912) heeft het college van burgemeester en wethouders een verzoek om handhaving inzake bedrijfsactiviteiten van X in de nabijheid van de woning van verzoeker afgewezen en het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Door de rechtbank werd het beroep van verzoeker gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en tevens werden de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten door de rechtbank. X ging hiertegen in hoger beroep, waarna het college middels een brief te kennen gaf incidenteel hoger beroep in te stellen.
Volgens de Afdeling echter geven de gronden die het college in deze brief aanvoert er blijk van dat het college hetzelfde doel nastreeft als X, namelijk vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en ongegrondverklaring van het door verzoeker ingestelde beroep bij de rechtbank.

De Afdeling oordeelt dat de aanleiding voor het instellen van incidenteel hoger beroep moet zijn gelegen in het ingestelde principaal hoger beroep. Wederom verwijzend naar de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 8:110 Awb, is de Afdeling van mening dat een incidenteel hogerberoepschrift dient als ‘tegenaanvalswapen’ ten opzichte van het principaal hogerberoepschrift en niet als ondersteuning daarvan. Gelet daarop kan het hogerberoepschrift van het college niet worden aangemerkt als incidenteel hoger beroep en geldt de reactie van het college als een principaal hoger beroep. Helaas voor het college was de reactie buiten de termijn voor principaal hoger beroep ingesteld en daardoor was het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Conclusie

Uit deze uitspraken volgt dat een incidenteel hogerberoepschrift gronden dient te bevatten tegen de uitspraak van de rechtbank en bovendien een ‘tegenaanvalswapen’ dient te zijn ten opzichte van het principaal hoger beroep. Indien daar niet aan voldaan wordt loopt de indiener het risico dat zijn reactie wordt opgevat als een zienswijze/verweerschrift of principaal hogerberoepschrift. In dat laatste geval zal er al snel sprake zijn van termijnoverschrijding, aangezien de termijn voor principaal hoger beroep zes weken na de uitspraak van de rechtbank afloopt, terwijl incidenteel hoger beroep tot zes weken na verzending van de gronden van het principaal hoger beroep aan de desbetreffende partij nog mogelijk is.
kennis