HvJ EU bepaalt: Leenheerenpolder mag niet worden verkleind
2017-10-20 | Auteur:

HvJ EU bepaalt: Leenheerenpolder mag niet worden verkleind

Vandaag heeft het Hof van Justitie van de EU naar aanleiding van een prejudiciële vraag van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geantwoord dat het Natura 2000 gebied ‘Haringvliet” niet mag worden verkleind.

Waar gaat het precies over.

Het aanwijzen van Natura 2000 gebieden gebeurt, waar het Habitatrichtlijngebieden betreft, getrapt. Eerst moet de staatssecretaris een lijst aanleveren bij de Europese Commissie van gebieden die van communautair belang zijn vanwege de ecologische waarden in die gebieden. Indien de Europese Commissie deze gebieden goedkeurt, dient de staatsecretaris deze gebieden aan te wijzen als Natura 2000 gebied.

Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU mag een gebied die op de communautaire lijst is geplaatst niet meer worden verkleind. Hierop is een uitzondering mogelijk in een van de volgende drie gevallen.
  • Er is sprake van een technische correctie (het gaat dan om een geringe afwijking)[1], of
  • Het gebied levert geen bijdrage meer aan het Natura 2000 netwerk. Hierbij geldt als voorwaarde dat de kwaliteit van het gebied verloren is gegaan door een natuurlijke oorzaak of dat het gaat om een deel van het gebied waarvoor een vergunning is verleend overeenkomstig de Habitatrichtlijn (in Nederland omgezet in de wet Natuurbescherming).  In dat geval mag een project worden uitgevoerd, waarmee een dwingende reden van groot openbaar belang gemoeid is en waarvoor geen alternatieve oplossingen zijn en ten behoeve waarvan het aan te tasten gebied is gecompenseerd. Het nalaten van beheer of het verlenen van vergunningen in strijd met de Habitatrichtlijn  zijn geen valide redenen om een gebied te mogen verkleinen[2].
  • De derde mogelijke reden is dat de oorspronkelijke aanwijzing berust op een wetenschappelijke fout. Ten tijde van de oorspronkelijke aanwijzing en ten tijde van de wijziging van de aanwijzing waren er geen ecologische waarden aanwezig die aanwijzing rechtsvaardigen. Deze laatste reden vloeit voort uit jurisprudentie van het Hof van Justitie EU over de Vogelrichtlijngebieden[3]. Vogelrichtlijngebieden vormen samen met Habitatrichtlijngebieden het Natura 2000 netwerk.
In deze zaak had de Staatssecretaris de Leenheerenpolder  als onderdeel van het Natura 2000 gebied Haringvliet op de lijst van gebieden van communautair belang geplaatst. De staatssecretaris had daartoe overwogen dat de Leenheerenpolder op zichzelf geen ecologische waarden had maar dat het gebied geschikt en noodzakelijk was om  de instandhoudingsdoelstellingen voor de noordse woelmuis te realiseren. Op basis daarvan had de Europese Commissie het gebied op de communautaire lijst geplaatst. Toen het echter aankwam op de daadwerkelijke aanwijzing van het gebied, wees de staatssecretaris het gebied niet aan. De staatssecretaris overwoog daartoe dat op basis van gewijzigde inzichten was komen vast te staan dat de doelstellingen voor de noordse woelmuis ook op andere wijze zouden kunnen worden gehaald.

De Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten en de Vereniging Hoekschewaards Landschap kwamen hier tegenop. De Afdeling verklaarde hun beroep gegrond en oordeelde dat de verplichting om een gebied aan te wijzen pas kan komen te vervallen indien de Europese Commissie bij beschikking (eventueel op aanvraag) een nieuwe communautaire lijst vaststelt zonder dat het betreffende  gebied daarop staat[4].

De staatssecretaris verkreeg hierna van de Europese Commissie de benodigde toestemming om het gebied niet aan te wijzen. De Europese Commissie had op verzoek van de staatssecretaris een nieuwe lijst vastgesteld waar het gebied niet op voorkwam. Op basis hiervan wees de staatssecretaris de Leenheerenpolder niet aan als Natura 2000 gebied.

Tegen dit besluit kwamen de Vereniging Hoekschewaards Landschap opnieuw op. Volgens de Vereniging was het besluit van de Europese Commissie ongeldig en kon de staatssecretaris het aanwijzingsbesluit daar niet op baseren.

De Afdeling heeft vervolgens prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de EU. De Afdeling heeft gevraagd of de reden van verwijdering, te weten 'we dachten dat we het gebied nodig hadden voor de bescherming van de noordse woelmuis maar nu blijkt dat we ook met andere middelen in deze bescherming kunnen voorzien’ zou kunnen kwalificeren als  een wetenschappelijke fout bij de aanmelding (een van de drie in de jurisprudentie aanvaarde redenen om een gebied te mogen verkleinen).[5]

Het Hof van Justitie van de EU heeft in het arrest van vandaag[6]  geantwoord dat het verkleinen van een gebied omdat bij de aanmelding sprake was van een wetenschappelijke fout in beginsel ook is toegestaan bij Habitatrichtlijngebieden. Naar het oordeel van het Hof was in dit geval echter geen sprake van een wetenschappelijk fout. Er was immers geen misverstand over het potentieel van het gebied voor de bescherming van de noordse woelmuis maar er was sprake van een wijziging van het beleid van de staatssecretaris. Daarbij overweegt het Hof dat de Nederlandse regering zich bij de Europese Commissie ook niet heeft beroepen op een wetenschappelijke fout en dat de Europese Commissie geen enkel wetenschappelijk bewijs had verstrekt op grond waarvan zou kunnen blijken dat sprake was van een wetenschappelijke fout bij de oorspronkelijke aanmelding.  Het Hof oordeelt dan ook dat het besluit van de Europese Commissie ongeldig is.

De Afdeling zal naar aanleiding van deze uitspraak de behandeling voortzetten en een definitieve uitspraak doen in het beroep van de Vereniging Hoekschewaards Landschap. Met het antwoord van het Hof van Justitie van de EU staat echter wel vast dat het gebied niet mag worden verkleind en dat de Leenheerenpolder voor nu onderdeel zal blijven uitmaken van het Natura 2000 netwerk.
 
Klik hier voor de uitspraak van het Hof van Justitie van 19 oktober 2017

Klik hier voor de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 16 mei 2016

Klik hier voor de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 1 oktober 2014
 
[1] Conclusie A-G HVJ EU 13 juli 2006, C-191/05
[2] Artikel 9 Habitatrichtlijn, Conclusie A-G HVJ EU 13 juli 2006, C-191/05, HvJ EU 3 april 2014, C-301/12
[3] HvJ EG 25 november 1999, C-96/98
[4] AbRvS 1 oktober 2014, BR 2014, 135
[5] AbRvS 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1351
[6] HvJ EU 19 oktober 2017, C-281/16
kennis