Brief onbevoegde ambtenaar is besluit
2017-12-22 | Auteur:

Brief onbevoegde ambtenaar is besluit

In de uitspraak van 20 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3514) heeft de Afdeling bepaald dat een brief van een onbevoegde ambtenaar is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en zodoende een vergunning van rechtswege is voorkomen.

In deze zaak had een bedrijf bij het college van burgemeester & wethouders een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan om zo een nieuwe vestiging van het bedrijf mogelijk te maken. Op de aanvraag was de reguliere voorbereidingsprocedure van de Wabo van toepassing. Binnen de beslistermijn van acht weken ontving het bedrijf geen reactie van het college, maar wel een brief van het hoofd Economische Zaken (EZ) waarin werd aangegeven dat niet kon worden meegewerkt aan het verzoek om af te wijken van het bestemmingsplan.

Uit de brief viel niet op te maken dat deze namens het college was verzonden en het hoofd EZ was volgens het mandaatregister van de gemeente niet bevoegd om op de vergunningsaanvraag te beslissen. Verder stond onder de brief geen rechtsmiddelenclausule. Het bedrijf stelde zich daarom op het standpunt dat er niet tijdig op de aanvraag om omgevingsvergunning was beslist door het college en dat er zodoende een vergunning van rechtswege was ontstaan. De Afdeling ging daar niet in mee.

De Afdeling is namelijk van oordeel dat de brief van het hoofd EZ moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Volgens dat artikel wordt onder een besluit verstaan: “een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling”.  Op grond hiervan dient een besluit op rechtsgevolg te zijn gericht. Volgens de Afdeling heeft een beslissing rechtsgevolg, indien zij er op is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel de juridische status van een persoon of zaak vast te stellen. De Afdeling oordeelt dat de brief van het hoofd EZ qua inhoud en bewoordingen is bedoeld als een reactie op de aanvraag van het bedrijf en dat met deze brief daarom concreet en ondubbelzinnig op de aanvraag is beslist. Dat de brief niet is voorzien van een rechtsmiddelenclausule is voor de beantwoording van de vraag of de brief een besluit is in de zin van de Awb niet doorslaggevend.

Verder oordeelt de Afdeling dat de vraag of de brief al dan niet kwalificeert als besluit, moet worden onderscheiden van de vraag of degenen die de op rechtsgevolg gerichte handeling heeft verricht bevoegd was om namens het bestuursorgaan dat besluit te nemen. In het onderhavige geval is het besluit door het hoofd EZ onbevoegd genomen. Dit bevoegdheidsgebrek doet echter volgens de Afdeling niets af aan het besluitkarakter van de brief en kan bovendien hersteld worden in de beslissing op bezwaar. Er is dus tijdig op de aanvraag beslist, waardoor er geen vergunning van rechtswege is ontstaan.

Voor de praktijk betekent deze uitspraak dat in geval van een te late beslissing van het bestuursorgaan en daardoor een mogelijke vergunning van rechtswege, het van belang is of er wellicht binnen de beslistermijn door een onbevoegde ambtenaar inhoudelijk is gereageerd op een aanvraag. Als dat zo is, is er geen vergunning van rechtswege ontstaan.
kennis